Op sommige plekken een ‘reserve’ aanleggen voor vervangingen, terwijl je op andere plaatsen een structureel tekort hebt, kan niet meer, schrijft Bruno De Lille. Elke dag dat we niet ingrijpen, maakt het probleem van het lerarentekort groter.

We leven in een van de rijkste landen ter wereld en toch kunnen we niet garanderen dat alle kinderen naar school kunnen. Enkele Brusselse scholen moeten leerlingen naar huis sturen omdat er geen leerkrachten meer zijn (DS 7 maart). Tot mijn verbazing reageren de meeste mensen, ook de politici, daar apathisch op. Nochtans is de toestand catastrofaal. We dreigen een hele groep kinderen toekomstkansen te ontnemen waar ze recht op hebben.

De cijfers lijken aan te tonen dat het lerarentekort stabiliseert. Alleen is dat met spuug en paktouw gebeurd: we zetten kleuterleidsters voor lagereschoolklassen, directies geven voortdurend zelf les, de leraar wiskunde geeft ook nog een paar uur Frans of Engels, in plaats van 32 uur geven we maar 30 uur meer, leerlingen zitten elke week uren in de studie, er zijn zoveel zijinstromers dat ze niet meer de nodige begeleiding krijgen. Dat zijn geen creatieve oplossingen meer, dat zijn lapmiddelen. Ik weet dat er aan langetermijnoplossingen wordt gewerkt, maar het water staat ons zo aan de lippen dat er nú iets moet gebeuren.

Om te beginnen, moeten de leerkrachten beter over de verschillende scholen verdeeld worden. Het gaat daarbij niet over een “waterbedeffect creëren of elkaar vliegen afvangen” zoals onderwijsminister Ben Weyts (N-VA) het noemt, het gaat erover dat geen enkele school of klas zonder noodzakelijke begeleiding mag komen te zitten. Dat is toch niet te veel gevraagd? Want ja, het tekort doet zich overal voor, maar het is niet gelijkmatig verdeeld. De (groot)steden, en zeker Brussel, kampen met de grootste problemen.

Een mogelijke oplossing? Misschien maak ik me er bij sommige collega’s niet populair mee, maar het systeem van het leerkrachtenplatform moet op de schop. Op sommige plekken een ‘reserve’ aanleggen voor vervangingen, terwijl je op andere plaatsen een structureel tekort hebt, kan niet meer. En is het houdbaar dat leerkrachten die hun ontslag geven om naar een andere school te trekken, een opzegtermijn van maximaal twee weken hebben terwijl we geen vervangers vinden?

Voorts moet werken op de ‘moeilijkere’ plekken aantrekkelijk worden. Leerkrachten die kiezen voor scholen met meer kwetsbare leerlingen, verdienen een financiële compensatie die recht doet aan de extra uitdagingen. In elke sector is dat vanzelfsprekend, maar niet in het onderwijs: hier verdient de meester die lesgeeft in een klein dorpsschooltje vol middenklassekindjes evenveel als de juf die elke dag in het hart van Schaarbeek het beste van zichzelf geeft voor een klas waarvan de meerderheid een serieus rugzakje meezeult.

Doordat bijna al onze leerkrachten uit Vlaanderen komen, blijft de reistijd naar de school een drempel. Maar laten we alvast door een betere verloning de keuze voor Brussel tot een echte keuze maken (wie weet vestigen die mensen zich dan in onze hoofdstad).

Elke dag dat we niet ingrijpen, maakt het probleem groter. Wat we onze kinderen vandaag niet geven, daar zal de maatschappij een mensenleven lang de rekening voor gepresenteerd krijgen. We mogen ons niet laten verlammen, niet apathisch toekijken hoe we nu met onze kop tegen de muur lopen, maar we moeten in actie schieten. Onze kinderen en leerkrachten verdienen dat.

Bruno De Lille, algemeen directeur van een Brusselse scholengroep

Deze tekst verscheen op 8 maart 2024 in De Standaard. Je leest hem hier: https://www.standaard.be/cnt/dmf20240307_96200259?