>> I apologize but this text is only available in Dutch.

‘Ben je voor de meisjes of voor de jongens?’ Ik zat in het tweede of het derde middelbaar toen twee meisjes op de speelplaats naar me toestapten en me dé vraag stelden. Vanaf toen was er alleen nog maar voor en na. De twee vriendinnen beseften het niet maar ze hebben mijn leven veranderd. Op twee manieren.

Ik was een jaar of dertien en was tot dan toe nooit ‘verliefd’ geweest. Internet bestond nog niet en we hadden thuis ook geen tv. Ik was dus redelijk naïef om het zacht uit te drukken. Ook op school stonden seksualiteit en relaties trouwens niet op het lessenrooster. Ik was er dus gewoon nog niet mee bezig.

Ik had echt niet door wat er achter het ‘ben je voor de meisjes of voor de jongens’ zat. Ze hadden net zo goed kunnen vragen of ik voor Club Brugge of Anderlecht supporterde. En zoals ik als West-Vlaming alleen maar voor Club kon zijn (ik kende niks van voetbal maar toch zong ik liedjes over ‘Anderslecht en de keeper staat niet recht’), koos ik ook hier voor het team dat het dichtst bij me stond. ‘Voor de jongens natuurlijk’, zei ik.

Was ik me bewust geweest van de vraag achter de vraag, dan zou dit moedig geweest zijn. Een jonge tiener die in de jaren ’80 in een West-Vlaamse landelijke gemeente trots voor zijn homo-zijn uitkwam, dat was uitzonderlijk. Ik zou maar wat graag kunnen zeggen dat dit mijn eerste LGBTI+-activistische daad was. Helaas, het was geen activisme, het was niet moedig, het was kinderlijk onschuldig.

En ‘dom’ vond ik toen ik merkte wat de gevolgen waren. Want vanaf toen begon het pesten, het schelden – ‘jeanette’, ‘potter’ – en het uitgesloten worden. Het heeft me helse jaren op school bezorgd. Als ik aan die periode terugdenk, kan ik me geen enkel vrolijk moment voor de geest halen. Maar zoals de meeste LGBTI+-jongeren kon ik goed verbergen hoe slecht ik me voelde. De leraren hadden dan ook geen idee wat ik meemaakte. Enkele jaren geleden werd ik, toen mijn oude school 50 jaar bestond, uitgenodigd voor een feestavond. Om fijne herinneringen aan de school te delen. Ik had er echter alleen maar negatieve gevoelens bij.

De enige leuke momenten waren die met de paar vrienden die ik had. Het kleine groepje jongens dat me het gevoel gaf dat ik veilig was. We lachten samen om domme grapjes en we dachten dat we diepzinnige gesprekken voerden. Van de vijf jongens waar ik mee optrok, bleken er trouwens drie ook homo te zijn. Maar dat wisten we toen niet. Ik had je met plezier een paar ‘rooie oortjes’-verhalen verteld over hoe we samen ontdekten dat we op jongens vielen, maar het zou gelogen zijn… We hebben het elk op ons eigen ritme en soms jaren later uitgevlooid.

Voor mij begon die zoektocht dus op het moment dat de twee vriendinnen me, vol binnenpretjes over wat komen ging, vroegen of ik voor team ‘ho’ of ‘he’ was. En dat was de tweede manier waarop ze mijn leven overhoop haalden. Tot dan had ik nooit wakker gelegen op wie ik verliefd zou kunnen worden. Maar nu moest ik wel. Ik wou helemaal niet op jongens vallen, probeerde mezelf richting hetero te duwen. Het bemachtigen en lezen van ‘vieze boekjes’ was spannend, maar hielp niet echt. Ik hoopte dat het me wel duidelijk zou worden als ik 15 werd. Of 16. Maar nooit kwam het ‘Aha’ moment.

Tot ik in de bib (een soort internet op papier) enkele boeken vond met verhalen over hoe fijn het kan zijn om als jongen op een andere jongen verliefd te worden. Een boek over seksuele opvoeding dat homoseksualiteit niet als een afwijking bekeek maar gewoon als een van de opties. Daar herkende ik me in. Toen kwam de klik wel. En met de zelfaanvaarding ook de stapjes vooruit. Kon ik het beginnen delen, kon ik mijn kastdeur centimeter na centimeter openduwen.

Dat waren de jaren ’80. Intussen zijn we dertig jaar verder en leven we in een totaal andere maatschappij. Vrouwen die met elkaar kunnen trouwen, man-man-koppels die kinderen adopteren, dat je je gender op eenvoudig verzoek kan laten aanpassen op je identiteitskaart, … het was in mijn jeugd ondenkbaar.

Maar in het onderwijs lijkt er niet zoveel veranderd te zijn. Ik was in elk geval diep teleurgesteld toen ik in de open brief van de 18-jarige Joris Nitelet moest lezen dat hij zelf ‘nooit heeft mogen ervaren dat er op een positieve manier werd gesproken over LGBTQ+ in de klas’.

Dat is verschrikkelijk. Op zoek gaan naar jezelf, je seksualiteit ontdekken, jezelf leren aanvaarden en je eerste relaties opbouwen… het is iets waar de meeste jongeren mee worstelen. De puberteit is voor velen heftig. Als die jongeren echter ook nog eens de indruk krijgen dat ze verkeerd bezig zijn, dat ze maar beter verbergen hoe ze zich voelen, dan vraagt dat nog veel meer energie en zorgt dat voor een enorme stress. Het spreekt vanzelf dat dit geen positieve invloed op het leren en de punten kan hebben. Uit de Vlaamse LGBTI+ Schoolklimaat enquête (2017) blijkt bijvoorbeeld dat 1 op 3 van de LGBTI+ leerlingen geregeld spijbelen als er een negatief schoolklimaat is tegenover holebi- en transleerlingen. Als er wel een open houding is, dan is dat maar 1 op 10. Maar scholen willen toch sterke jongeren afleveren? Waarom lijkt het alsof ze hier zo weinig aandacht voor hebben?

Als je met directies en leerkrachten spreekt, nuanceren ze. Als er op school nooit over holebiseksualiteit en genderrollen of -stereotypes gepraat wordt, dan zondigt de school tegen de eindtermen die de overheid oplegt of tegen de leerplannen, de vertaling van de eindtermen door de koepels.

Zo legt het katholiek onderwijs haar lagere scholen een aantal leerdoelen op en een ervan is ‘genderbewust zijn, gendervriendelijk handelen en verschillende relatievormen (h)erkennen’. Dit betekent dat kinderen vanaf een jaar of acht leren dat je als meisje ook verliefd kan zijn op een meisje, als jongen op een jongen en dat je dat moet respecteren ook als je zelf niet zo bent. Vanaf een jaar of tien zouden leerlingen moeten inzien hoe genderrollen ontstaan, komen ze te weten dat genderrollen aangeleerd zijn en leren ze dat ze in het dagelijkse leven mensen niet in genderhokjes moeten duwen.

De juffen en de meesters gaan daar dan mee aan de slag. Zo was er in de tweede kleuterklas van een school in Etterbeek vorig jaar een jongetje dat graag jurkjes droeg. De leerkrachten hebben toen gewerkt rond genderbewustzijn en genderneutraal speelgoed.

Mijn eigen zoon zat in een school in het centrum van Brussel en zonder dat wij, zijn twee vaders, dat moesten vragen kwamen er 2 cadeautjes op Vaderdag en werd het Moederdagcadeau een knutselwerkje voor zijn meter.

En een school in Molenbeek zette enkele jaren geleden een themaweek op rond ‘Ik en de ander’ waarbij ze met de hele school én de ouders werkten rond gender en m/v rolpatronen, holebi’s, transgenders en weerbaarheid.

Ook in het middelbaar staan LGBTI+ en gender verplicht op de agenda. Sinds 1 september 2019 zijn er nieuwe eindtermen voor de eerste graad van het secundair onderwijs. En die hebben het ook over relaties, seksualiteit en integriteit.

Concreet wordt dat dan voor het katholiek onderwijs: ‘De leerlingen verklaren mentale en lichamelijke ontwikkelingen van jongens en meisjes binnen de puberteit (gender, identiteit en seksuele oriëntatie) en hebben oog voor de mogelijke invloeden van ideaalbeelden op de perceptie van het eigen lichaamsbeeld (leerplandoel 40)’ en ‘De leerlingen gaan respectvol om met vriendschap, verliefdheid, seksuele identiteit en geaardheid, seksuele gevoelens en gedrag, seksuele ontwikkeling en veranderingen in de puberteit (leerplandoel 44)’.

En zo komt het dat in een handboek voor het vak ‘Mens en Samenleving’ eindelijk een van de personages twee papa’s heeft.

Voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs zijn de nieuwe eindtermen nog niet goedgekeurd maar het lijkt ondenkbaar dat er geen aandacht zou zijn voor seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Momenteel gelden voor die leerlingen nog de vakoverschrijdende eindtermen die onder meer opleggen dat leerlingen zich respectvol moeten kunnen uiten over vriendschap, verliefdheid, seksuele identiteit en geaardheid, seksuele gevoelens en gedrag.

Naast de lessen is er bovendien ook de leerlingenbegeleiding. Die mensen hebben persoonlijke gesprekken met leerlingen die zich niet goed in hun vel voelen, die bang zijn voor de reacties thuis of van de vrienden, … Geregeld nemen ze dan contact met holebi-jongerenverenigingen, met Merhaba (LGBTI+-vereniging voor jongeren met een migratieachtergrond) of het transgenderinfopunt.

In vergelijking met de jaren ’80 is dit inderdaad een grote vooruitgang, een enorme vooruitgang zelfs. Maar ik moet hier toch wat kanttekeningen bij maken. Want als de 18-jarige Joris Nitelet zegt dat hij dit zelf nooit heeft ervaren, dan weet ik dat hij niet liegt. Tussen droom en daad staan namelijk veel praktische bezwaren.

Het is fantastisch dat een handboek ‘Mens en Samenleving’ eindelijk een personages met twee papa’s heeft, het is goed dat de leraar godsdienst of moraal al eens over Pride Month spreekt en dat homoseksualiteit nu wel aan bod komt in de lessen biologie.

Het is alleen niet genoeg. Op de twaalf of vijftien jaar dat een kind op school zit, komt dit in de praktijk neer op enkele uurtjes en dat is te weinig om echt het verschil te maken. Mijn eigen zoon heeft langer les gehad over Soa’s dan over LGBTI+-relaties. De meeste mensen praten namelijk niet graag over relaties en seksualiteit. Leraren zijn daarin niet anders. Maar als je worstelt met gêne, als je je niet op je gemak voelt bij het onderwerp, hoe kan je dan positief lesgeven en een open discussiesfeer creëren over deze onderwerpen?

Soms voelen leerkrachten zich niet ‘gewapend’ genoeg. Sommige jongeren staan niet meteen open voor discussie, willen hun macho-visie op de maatschappij niet per se bijstellen en reageren misschien agressief. Anderen worstelen op een andere manier met zichzelf en zijn juist op zoek naar heel veel informatie. Het is niet eenvoudig om daar altijd gepast mee om te gaan. Dus vermijden heel wat juffen en meesters het onderwerp maar.

Het ergste is echter de onwetendheid die er hier en daar ook vandaag nog bij leerkrachten bestaat. Maar als je er zelf nooit iets over geleerd hebt, nergens de nuances hebt leren kennen, dan is de kans reëel dat je net de clichés of foute informatie gaat bevestigen. En dat gebeurt helaas nog te dikwijls.

Het is te gemakkelijk om deze eindtermen te skippen. Of ze door te schuiven naar een collega waarvan je hoopt dat die er beter mee overweg kan. Maar die helaas ook al een vol bakje had… Daardoor merk je dat het vaak van enkele gedreven of betrokken mensen afhangt of een school LGBTI+-vriendelijk is of niet. En vallen zij weg, dan verdwijnt het thema met hen. Het is te zelden structureel verankerd.

Of anders is het vaak ‘probleemgebonden’: er is een flagrant geval van homofobie op school of een leerling begint aan zijn of haar transitie. Dan schiet men in actie, vraagt men hulp, komen er bijscholingen en begeleiding. Is het ‘probleem’ verdwenen (afgestudeerd) dan deemstert de aandacht ook weg. Jammer genoeg, en ik neem mijn eigen verhaal als voorbeeld, verbergen LGBTI+-leerlingen vaak erg goed dat ze gepest worden. Scholen die denken dat ze geen probleem hebben met homofobie, moeten misschien gewoon iets beter kijken.

Bovendien benaderen te veel scholen LGBTI+-zijn als iets ‘speciaal’, iets ‘anders dan anders’. Maar de meeste jongeren willen helemaal niet anders zijn. Wij vragen geen aparte lesjes, wel een open sfeer op school zodat LGBTI+-jongeren zich veilig kunnen voelen. Geen hoofdstuk over ‘homoseksualiteit’ maar gewoon in het rijtje staan als het handboek spreekt over relaties en families. LGBTI+-boeken die ongelabeld op de boekenlijst staan. Dat Stonewall automatisch mee vermeld wordt als de geschiedenislessen de emancipatiestrijd bespreken. Illustraties die twee moeders tonen ook als het onderwerp van de tekst niets met homoseksualiteit te maken heeft en een school die vanzelfsprekend meedoet met Paarse Vrijdag of IDAHOT, de dag tegen homo- en transfobie.

Kan dat lukken? Ja. Ik geloof echt dat de openheid er is bij de meeste leerkrachten en directies. Maar het zal niet gemakkelijk zijn. Niet omdat ze niet willen, maar omdat ze het niet geleerd hebben en vaak ook gewoon niet zien. Onze maatschappij is nog altijd zo heterogeoriënteerd dat veel cis-hetero’s zelfs niet beseffen dat ze die heteronorm altijd en overal uitdragen. Het is alsof je iemand die niet beseft dat hij kleurenblind is vraagt om het verschil tussen groen en rood uit te leggen.

We zullen ze dus moeten helpen, zelf alternatieven en oplossingen aandragen, aanpassingen eisen van uitgevers van alle schoolboeken, de lerarenopleidingen aanspreken en helpen hervormen. En de fouten die ze zullen maken, vriendelijk blijven bijsturen.

De beste dag om daarmee te beginnen was gisteren, de tweede beste dag is vandaag. Net als in de maatschappij vraagt zo’n mentaliteitswijziging in onze scholen tijd. Dat kan frustrerend zijn. Maar als we er nu aan beginnen dan zullen alvast de kinderen van Joris Nitelet een fijne tijd op school beleven. Zonder dat het uitmaakt of ze ‘voor de jongens of voor de meisjes zijn’.

Dit opiniestuk verscheen op 28 september 2020 op Weekend.Knack.be. Je leest het hier https://weekend.knack.be/lifestyle/maatschappij/scholen-die-denken-geen-probleem-te-hebben-met-homofobie-moeten-misschien-gewoon-beter-kijken/article-opinion-1646619.html