De slachthuizen van Anderlecht zijn gekend door een zeer breed publiek. De iconische beelden van de twee stieren aan de ingang, de prachtige overdekte markt, die dringend aan renovatie toe is, het gekrioel van de duizenden mensen als er markt is, het lekkere fruit van over heel de wereld: het maakt elke keer opnieuw indruk op me. Ik praat met Joris Tiebout (CEO) en Paul Thielemans (Communicatieverantwoordelijke) van de nv Abattoir die de slachthuizen runt. We babbelen over de redding van de markt, over de sociale rol van de slachthuizen en over het gevaar van een eiland in de stad te worden.

Joris Tiebout: Dertig jaar geleden wilde de gemeente de slachthuizen en de veemarkt sluiten. Anderlecht verloor er per jaar zo’n 2,5 miljoen euro aan. En dus zeiden ze plots “nu is het gedaan, we doen de boeken toe”. Zonder overleg te plegen met de mensen hier. Honderdzestig bedrijfsleiders, slagers, restauranthouders, … allemaal mensen die op één of andere manier leefden van de ‘Abattoirs’, hebben dan zelf de centen bijeen gebracht om dit verder te kunnen zetten. Ik ben zelf ook stichtend aandeelhouder en heb dus ook zelf geïnvesteerd in de slachthuizen. Een bescheiden bedrag hoor (lacht). Maar zo hebben die honderdzestig mensen het slachthuis overgenomen van de gemeente en hebben ze er een nieuwe start aan gegeven.

Bruno De Lille: Wat maakte het verschil, hoe konden jullie wel winst maken?

JT: Onze structuur was heel wat lichter. De gemeente werkte met 100 personeelsleden, wij met 30. Het was onze broodwinning en ons eigen geld zat er in, dus we moesten wel kort op de bal spelen, zoeken naar wat werkte en wat beter moest.

Paul Thielemans: De gemeente had ook al heel lang geen investeringen gedaan waardoor de Abattoirs veel van hun aantrekkelijkheid verloren waren. Dat was hier bijna de middeleeuwen: tijdens de vleesmarkt werd het vlees gewoon op houten tafels in open lucht aangeboden. Gelukkig is er toen ook heel wat steun gekomen vanuit de Gewestelijke overheid: via renteloze leningen, hulp om ons exportstempel terug te krijgen waardoor we ook weer internationaal konden werken, …

BDL: Zijn de Abattoirs van nu nog te vergelijken met die van toen?

PT: Moeilijk. Er is veel geïnvesteerd en de zaken zijn veel meer uitgebouwd. Intussen is er niet alleen de vleesmarkt maar zijn er drie dagen markt. Daar richten we ons vooral tot het grote publiek. Er zijn ook de kelders die voor evenementen dienen. Je hebt Cultureghem vzw dat een brede culturele werking rond o.a. eten en voedsel opzet. We zijn een FoodMet aan het bouwen. Er is het bedrijvencentrum Euclides.

FoodMet
De nieuwe FoodMet die op 29 mei de deuren opent.

JT: Dat bedrijvencentrum is er gekomen omdat de Raad van Bestuur van bij het begin ervoor gekozen heeft om niet op een eiland te gaan zitten, van linken te gaan leggen met de wijk. Dat was 30 jaar geleden behoorlijk revolutionair. Dus hebben we onder meer dat bedrijvencentrum opgericht. Zo begeleiden we mensen uit de wijk bij het opzetten van een klein bedrijf of winkel op onze site. Intussen is dat veel ruimer geworden en is er geen directe link meer met de slachthuizen.

BDL: Is het publiek ook erg veranderd?

JT: Ja, je ziet dat hier constant veranderen hé. Al die migratiegolven passeren hier. Het is een aankomstwijk. Je merkt dat bijvoorbeeld ook aan het aanbod op de markt. Volgens de cultuur die je thuis meegekregen hebt, doe je andere dingen met voeding. En dat is dan weer een ongelooflijke rijkdom voor ’t slachthuis zelf. Als je dieren slacht, dan heb je altijd bepaalde delen van zo’n karkas die je in principe niet op de Belgische markt kwijtgeraakt omdat mensen ze hier niet meer willen eten. Ik denk dan bijvoorbeeld aan darmen, gekuiste magen of varkenspoten.

De collega’s in Vlaanderen en Wallonië moeten die stukken dan op de wereldmarkt verkopen. Dan gaat dat bijvoorbeeld naar Rusland of naar Afrika of China. Maar wij hebben hier in Brussel die wereldmarkt aan onze voeten en kunnen die delen dus lokaal verkopen. En dat is zeer interessant, zeer interessant…

BDL: Wat is het verschil met de Zuidmarkt bijvoorbeeld?

PT: Dat de mensen bij ons vooral komen om te kopen. Op de Zuidmarkt heb je veel ‘toeristen’ die eens komen kijken, die graag eens een olijfke proeven maar die er daarom niet direct een zakje kopen. Maar de mensen die op de markt staan, staan er niet om de toeristen te plezieren natuurlijk. Die staan hier om een gezin te kunnen onderhouden, om hun huis te kunnen betalen, …

JT: Wij hebben ook een veel breder aanbod dan de Zuidmarkt. Je kunt hier op een voormiddag komen winkelen en heel je tuin, je huis, je zolder inrichten en ook nog je eten voor de hele week kopen. Je vindt hier alles.

BDL: Hebben jullie de economische crisis erg gevoeld?

JT: Ja, we voelen de toegenomen concurrentie van de grootdistributie zoals de Lidl en de Colruyt die zich meer en meer op het marktsegment van de lage prijzen richten. Doordat die veel meer middelen hebben, gerichter advertenties kunnen zetten … merken we toch dat een klein deel van ons publiek nu soms bij hen gaat winkelen.

BDL: En wat stellen jullie daar tegenover?

JT: Vriendelijkheid. Echt. Als wij enquêtes afnemen dan krijgen we vaak te horen dat mensen bij ons langskomen omdat onze handelaars zo vriendelijk zijn. Die gasten doen echt inspanningen om hun klanten te houden. En dat is toch anders vergeleken met een grootwarenhuis waar je voornamelijk naar rekken staart. Onze markt is altijd op de eerste plaats een ontmoetingsplaats geweest hé. Dat was al zo toen het nog een veemarkt was. Je moet het zelf maar eens komen bekijken: je ziet mensen elkaar begroeten, een klapke doen. Dat is zo geestig om te zien.

PT: Voor veel Brusselaars is een bezoek aan onze markt wat voor anderen een uitstapje naar de zee is. Ze komen hier kopen natuurlijk maar ze snuiven tegelijk hun cultuur weer op. Je vindt hier zoveel gemeenschappen bij elkaar: Marokkanen, Turken, Polen, Roemenen, Franse expats en Afrikaanse nieuwkomers, … Ook dat maakt de eigenheid van de site uit.

BDL: Hoe zien jullie de slachthuizen de volgende jaren evolueren?

JT: Aha, we hebben grootse plannen. We hebben een tijd geleden een heel masterplan voor de site opgemaakt. Met het oude, beschermde marktgebouw als centrum van een soort marktplein. En daarrond bedrijven, woningen, een school, de FoodMet, een stadsboerderij en veel doorgangen en openingen naar de wijk. We willen het hart van de buurt zijn.

Eigenlijk is het de vorige Vlaamse bouwmeester die ons daartoe ongewild heeft aangezet. Op een bepaald moment komt die bij ons langs en zegt hij dat hij het grote park dat Leopold II zogenaamd vergeten te maken was in Brussel, hier wou maken. Pal op ons terrein. Omdat er niet veel huizen stonden zou dat makkelijk lukken volgens hem. Maar wij hebben dan gezegd “Hé man, no way, wij hebben onze plaats in deze stad”. En dus hebben we dan voor het eerst in de geschiedenis van de Abattoirs een masterplan opgesteld.

PT: Om ervoor te zorgen dat dat goed zat, dat we iets zouden maken waar veel mensen zich achter zouden kunnen zetten, hebben we ons goed laten begeleiden. Alexander D’Hooghe, ingenieur-architect en prof aan het MIT, Eric Corijn, Wim Embrechts, de vorige Brusselse bouwmeester Olivier Bastin, … ze zaten allemaal in onze kwaliteitskamer. En met resultaat: toen de gemeente Anderlecht een duurzaam ontwikkelingsplan opstelde, heeft ze ons masterplan er gewoon integraal mee in opgenomen. En ze hadden ons daar zelfs niet van verwittigd (lacht).

BDL: In jullie masterplan zitten heel wat vernieuwende ideeën. Eén van de meest opvallende is dat van de stadsboerderij. Wat moet ik me daarbij voorstellen?

JT: Eigenlijk was dat een projectoproep van minister Huytebroeck (Ecolo). Zij wou een partner zoeken om zo’n stadsboerderij op te zetten. Nu paste dat perfect in onze visie op duurzame voeding en de uitbouw van de Abattoirs en dus hebben wij haar voorgesteld dit idee uit te bouwen. Weten wat je eet, vertrouwen kunnen hebben in wat op je bord ligt, … dat wordt steeds belangrijker voor veel mensen. Als wij dan op het dak van onze nieuwe FoodMet een stadsboerderij kunnen bouwen met daarnaast een restaurant dat meteen de producten uit die boerderij verwerkt, dan kan de voedselketen bijna niet korter en niet transparanter zijn.

Ik hoop dat het lukt want het is natuurlijk nog heel nieuw en ook het publiek moet meewillen. En we zijn er nog niet want we zijn nog op zoek naar een uitbater. Maar ik geloof sterk dat dit soort projecten in de toekomst niet meer weg te denken zal zijn uit onze steden.

PT: We zijn natuurlijk een bedrijf dat moet draaien maar je ziet dat we zo vaak mogelijk onze maatschappelijke verantwoordelijkheid opnemen. En er zijn nog voorbeelden: voor de bistro van onze nieuwe FoodMet, zoeken we bijvoorbeeld een samenwerking met een inschakelingsbedrijf. En op de markt loopt momenteel een initiatief van vzw Cultureghem: het project Collectmet. Groenten en fruit die niet verkocht geraken worden op het einde van de markt opgehaald en aan kansarmen geschonken. Zo is er vorige zondag bijna een ton groenten en fruit verdeeld.

BDL: Krijgen jullie daarbij voldoende steun van het Brussels Gewest?

PT: Er is wel vertrouwen en heel wat projecten worden ook gesteund. Maar we zouden het tof vinden mocht er ook wat meer aandacht gaan naar de buurt waarin we ons bevinden. Soms lijkt het alsof men het Gewest alleen ontwikkelt in het belang van één gemeente, de Stad Brussel, en niet op maat van de negentien gemeenten. Waarom moeten al die grote projecten altijd op de Stad Brussel gerealiseerd worden? Waarom zou dat museum voor moderne kunst hier geen plaats kunnen krijgen? Of zo’n biermuseum? Dat zou hier perfect op zijn plaats zijn. Ik vind dat een gemiste kans.

JT: De mobiliteit rond de slachthuizen is ook iets dat we samen moeten aanpakken. Vandaag komt al veertig procent van onze klanten met het openbaar vervoer en twintig procent te voet. Veel mensen beseffen dat niet. We zitten gelukkig tussen twee metrostations. Nu zijn er echter op zondag zoveel mensen die met de metro komen dat die stations dat niet zomaar aankunnen.

Dus moeten er stewards ingezet worden om die mensenstromen in goede banen te leiden. Alleen kregen we enkele jaren geleden te horen dat de MIVB tijdens de zomer de stations wou sluiten omdat ze niet genoeg personeel hadden om alles georganiseerd te krijgen. Dat zou een ramp geweest zijn voor de markt én voor de gemeente. Niet alleen zouden wij veel klanten verliezen. Zelfs als maar een deel van die mensen opeens met de wagen zou komen, zou dat een gigantische verkeerschaos opleveren.

BDL: Hoe kan dat dan beter?

JT: Mocht men aan het station Delacroix een uitgang kunnen voorzien die rechtstreeks op het domein van de slachthuizen uitkomt, dan zou dat al een hele verbetering betekenen. Zowel voor onze klanten als voor de omliggende wijken. Nu heb je een constante stroom van mensen die vanuit het metrostation Clemenceau de Bergense Steenweg oversteken met alle gevolgen vandien. Het is gevaarlijk en het houdt al het andere verkeer op.

PT: Als men van de Heyvaertwijk een florissante woon- en leefwijk zou kunnen maken ipv een wijk vol autohandel en -garages die hier eigenlijk geen plaats meer hebben en vooral overlast veroorzaken, dan zou dat ook goed zijn voor ons. Je krijgt dan een nieuw publiek dat bovendien ook nog eens te voet naar de markt zou kunnen komen.
Het Gewest moet dat eigenlijk niet zelf doen. Er zijn een aantal handelaars die hier heel goed hun boterham verdiend hebben en die ook inzien dat het autoverhaal hier geen toekomst meer heeft. Als je het juiste kader creëert, zullen die zelf wel zorgen dat er appartementen komen. Alleen hebben het Gewest en Citydev te vaak de neiging om alles zelf te willen opzetten waardoor het te traag vooruit gaat.

Bovendien zou men beter kunnen inspelen op de buurt. Een tijdje geleden heeft Citydev hier in de buurt een nieuw wooncomplex neergepoot: verzorgd, proper, alles wat je wil. Maar compleet afgesloten van de wijk, dat is in feite een gesloten enclave. Ik kan dat begrijpen maar gaan we zo de wijk opwaarderen? Wij maken linken naar de buurt maar iedereen zou dat moeten doen.

BDL: Is het voor de slachthuizen belangrijk dat jullie hier midden in de stad zitten?

JT: Ja, dat is voor ons een geweldige troef. Als je ons zou verplaatsen naar een industrieterrein of zo, dan gaat dit project gewoon dood. Daar ben ik honderd procent zeker van. En ook voor deze wijk zou het een catastrofe zijn. We zijn met elkaar verbonden. Voor mij is het duidelijk: de Abattoirs hebben het leven van de stad nodig, de stad is onze ziel hé.

Ter info: de nieuwe FoodMet opent zijn deuren op 29 mei 2015.