“Hadden jullie niet liever een kind gehad dat op jullie leek?”. Het was kwart voor acht ’s ochtends en we zaten samen te ontbijten, toen mijn zoontje me deze vraag stelde. Ik was meteen goed wakker. Eigenlijk had ik daar nog nooit over nagedacht. Zou je een kind dat je zelf gemaakt hebt, altijd liever zien dan je adoptie- of stiefkind?

Ik ken mensen die eerlijk toegeven dat ze hun eigen kind liever zien dan de dochter of de zoon van hun nieuwe partner. Maar misschien heeft dat meer te maken met de confrontatie met de ex van hun partner die in die jongen of dat meisje altijd aanwezig is. Ook in ons gezin zijn we met vier. Want zelfs al weten we niet wie de biologische ouders van onze zoon zijn, toch zijn ze er op de een of andere manier altijd bij. Maar ze zijn virtueel en er is ook nooit een conflict met hen geweest. Dus vandaar dat dat wellicht toch even anders ligt.

Op het moment dat ik als tiener besefte dat ik homo was, liet ik (onbewust ?) het idee van kinderen te kunnen krijgen los omdat het onmogelijk leek. Ik vond dat jammer, dat wel, maar ik heb er nooit door in de put gezeten. Ik ben niet een van de mensen die vindt dat je leven pas zinvol is als je een kind op de wereld hebt gezet. Mijn moeder had het er moeilijker mee. Het was één van de redenen waarom ze –om het eufemistisch uit te drukken – niet echt enthousiast was toen ik vertelde dat ik op mannen viel.

Later, toen ik samen met mijn man besloot om toch te proberen een kindje te krijgen, kozen we meteen voor adoptie. Voor ons was dat “kindjes maken” en dus een spannend avontuur. Dat botste wel eens met sommige hetero-koppels die we ontmoetten tijdens de voorbereidingscursus. Voor velen van hen was adoptie namelijk de laatste kans na jaren proberen zelf zwanger te worden. Bij die mensen zag je veel pijn, onvervulde verlangens en hopen verwachtingen. Heel veel verwachtingen …

Wij namen het nogal onbevangen op. Wat zijn moet, dat zal zo zijn, je kent het liedje wel. Misschien was dat ook omdat we wisten dat de kans klein was dat het allemaal ging lukken en dat hoe meer eisen we stelden, hoe moeilijker het zou worden. Als we ongerust waren, was het eerder omgekeerd: “zou hij zich wel aan ons willen hechten? Hoe lang zou het duren voor hij ons als zijn papa’s zou zien?”

Toen ik onze zoon in Congo ging halen, herkende ik hem eerst niet. Hij leek helemaal niet op de foto die men ons had doorgestuurd (kleuters veranderen snel en hij was nogal gegroeid 🙂 ). Maar toen hij zich aan mij en later aan mijn man vastklemde, werden we overvallen door een gevoel van liefde dat niet meer is weggegaan. Sindsdien is hij onze zoon. Neen, hij heeft onze genen niet en je weet je dat je hem altijd zult moeten delen met zijn biologische ouders. Maar we kiezen onvoorwaardelijk voor hem en nu hij zich in zijn beginnende puberteit wat begint los te maken, valt me dat soms moeilijker dan ik van mezelf dacht.

Fysiek kan je niet meer verschillen dan wij als twee witte papa’s met onze bruine zoon. Het grappige is dat we toch vaak te horen krijgen dat hij op ons lijkt. Mensen komen ons vertellen dat ze ‘zien’ dat hij onze zoon is. Omdat zijn manier van praten of hoe hij zich gedraagt blijkbaar erg overeenkomt met de onze. “Lijken op” en “houden van” zit duidelijk in zoveel meer dan in die 46 chromosomen.

Mijn antwoord die ochtend? Ik zei dat ik inderdaad graag nog zo jong en gespierd (het resultaat van catch, circusschool en scouts) als hij zou zijn, maar dat daar niet veel meer aan te doen viel. Dat vond hij grappig en dus ging de babbel meteen weer over iets anders. Alleen ik bleef er nog een hele tijd over piekeren. Meteen het mooiste bewijs dat hij me erg dicht aan het hart ligt, niet?

Je vindt de column (en nog een aantal andere columns van mij) op http://www.zizo-magazine.be