>> I apologize but this text is only available in Dutch.

Enkele dagen geleden kwam de Belgische belofterenner Justin Laevens uit de kast. Hij vond het zelf een grote stap want, zei hij “‘Ik ken persoonlijk niemand in de wielerwereld die zich al outte.”.

Nu beweegt er gelukkig wel iets in de sport: zo is er de jaarlijkse ‘Football for all’-campagne van Voetbal Vlaanderen, ACFF, de Pro League en de KBVB, die niet alleen racisme maar ook uitdrukkelijk homofobie viseert. Je had de Sport4All-actie van Mr. Gay Belgium 2019 Matthias De Roover die onder meer voetballer Jelle Van Damme, basketbalspeelster Ann Wauters, voormalig bokskampioen Freddy de Kerpel, Olympisch kunstschaatser Jorik Hendrickx, negenvoudig wereldkampioene boksen Daniella Somers en scheidsrechter Robin Lefever een boodschap liet inspreken tegen homofobie in de sport. En dan was er vorig jaar roeier Simon Haerinck die samen met zijn roeiteam de strijd tegen homofobie in het sportwereldje aanging onder de slogan ‘same sport, different sexuality’.

Alleen heeft het nog niet bijster veel resultaat opgeleverd. Ik kan me inderdaad geen openlijk homo-profwielrenners voor de geest halen. Goed, er was Graeme Obree die in de jaren ’90 twee keer het werelduurrecord heeft gebroken maar dat is lang geleden en de man is pas jaren na zijn carrière voor zijn homo-zijn kunnen uitkomen.

Vorig jaar getuigde de Zweedse international Albin Ekdal nog in een videoboodschap aan het Europees Parlement dat de homofobie in het voetbal zo groot is dat er tot nu amper acht topvoetbalspelers open durven zijn over hun homoseksualiteit.

Justin heeft gelijk: het is een grote en moedige stap van hem. En we moeten hem daar onvoorwaardelijk in steunen. En gelukkig lijkt het op het eerste gezicht zo dat veel mensen dat ook doen.

Maar waarom zijn er dan niet meer Justins? Doen LGBTI+-personen minder aan sport? Of kiezen ze eerder voor de ‘zachtere’ sporten en blijven ze op amateurniveau?

Het cliché dat homo’s en sport niet samengaan is oud en moeilijk uit te roeien. Volgens ‘Homoseksualiteit en sport’ (2008), een rapport van Movisie, het Nederlandse landelijk kennisinstituut voor een samenhangende aanpak van sociale vraagstukken, komt dat omdat sport aan het einde van de 19de eeuw gezien werd om gezonde en sterke mannen te ‘kweken’. En toen de mannen zich later nog meer in hun ‘mannelijkheid’ bedreigd zagen omdat ook vrouwen voor het inkomen zorgden en steeds zelfstandiger mochten zijn, bleef sport het laatste domein waar ze ongeremd hun macho-kant konden uiten.

Het zou kunnen verklaren waarom lesbiennes in de sport wel makkelijker aanvaard worden of openlijk out kunnen zijn. Want waar het cliché zegt dat homo-mannen ‘niet echt man’ zijn, worden lesbische vrouwen dan weer als ‘man-wijven’ gezien. Dat die van sport houden is ‘logisch’ in deze denkwijze.

Het is een cliché, een veralgemening en met een lepel zout te nemen. Natuurlijk bestaat de stereotypische homo-man die opgaat in het songfestival en gruwt van alles wat van ver of dicht met sport en beweging te maken heeft. Maar ik heb hetero-vrienden die net zo goed in dit plaatje passen.

Aan de andere kant zijn de grootste LGBTI+-verenigingen net degene waar holebi-, trans en intersekse personen samen kunnen sporten. Active Company in Antwerpen en Brussels Gay Sport in het hoofdstedelijk Gewest organiseren wekelijks badminton, fietsen, futsal, pilates, volleybal, waterpolo, zwemmen, wandelen, lopen, tennis, yoga enzovoort voor meerdere honderden leden.

Bovendien zijn er om de 2 à 3 jaar de World Outgames en de Gay Games, twee internationale sportevenementen die, alhoewel ze openstaan voor iedereen, zich vooral richten op een LGBTI+-publiek. Het is de bedoeling van er samen met mensen van over de hele wereld, te kunnen sporten in een positieve sfeer, vrij van homofobie. Zowel de Outgames als de Gay Games halen meer dan 10.000 deelnemers.

En volgens de personal coach van mijn fitness-club bestaat de helft van zijn klanten uit LGBTI+-personen. Dat sport en de regenboog niet zouden samengaan, is dan ook een groot misverstand. Het wordt hoog tijd dat dit de wereld uit geholpen wordt.

Zijn er dan misschien homo-sporten en hetero-sporten?

Op het eerste gezicht lijkt dat zo. Vraag aan de doorsnee Vlaming aan welke sporten hij denkt voor LGBTI+-personen en ik garandeer je dat je zaken als kunstschaatsen of schoonspringen te horen krijgt. Er zijn in die sporttakken inderdaad heel wat sporters openlijk homo: Tom DaleyMatthew MitchamMarkus ThormeyerIan Thorpe haalden in het zwemmen of het schoonspringen de ene medaille na de andere en zijn intussen allemaal uit de kast. In het kunstschaatsen zijn er zelfs zoveel homoseksuele schaatsers dat onze Kevin Van der Perren voortdurend moest benadrukken dat hij het niet was.

Maar voetbal? Rugby? Wielrennen? Boksen? … Die sporten hebben een ‘viriel’ imago en daar hoort de gemiddelde homo-man blijkbaar niet thuis.

Het is niet van niet kunnen. Het voorbeeld van Graeme Obree uit het wielrennen heb ik daarnet al aangehaald. In het voetbal heb je mensen als de gewezen international en speler bij het Duitse nationale elftal Thomas Hitzelsperger. In Brussel zijn er bijvoorbeeld de Straffe Ketten, een inclusieve rugby-club. Gareth Thomas, Ian Roberts of Keegan Hirst zijn internationale rugbysterren op topniveau en bleken allemaal ‘van de familie’. En de Puerto Ricaanse bokser Orlando Cruzwas ook niet bepaald een doetje.

Het is dus van niet mogen. Jonge LGBTI+-spelers voelen zich nog altijd niet welkom in voetbalclubs of het wielrennen. Ze denken dat ze er niet aanvaard zullen worden en gaan er niet naartoe of houden hun geaardheid angstvallig voor zich.

Volgens het Movisie-rapport ‘Homoseksualiteit en sport’ (2008), zou een van de redenen kunnen zijn dat homomannen teamsporten dikwijls associëren met het feit dat ze vroeger op school door andere jongens vaak gepest zijn tijdens dat soort sporten. Nu kan ik uit eigen ervaring vertellen dat schoolsport voor mij (en voor een paar andere vrienden die net als ik met hun homo-zijn worstelden op de middelbare school) een hel is geweest. Dat sporten ook voor plezier kon staan heb ik pas daarna ontdekt. Ik was dus niet alleen als ik het rapport lees, en dit lijkt me dan ook een zeer plausibele reden voor de terughoudendheid die veel (jonge) homomannen hebben. Als je al op zoek bent naar jezelf wil je niet in een club terechtkomen waar je voortdurend op je tellen moet passen. Het begint met andere woorden al op school.

Als je dat gevoel op en rond het veld of op het circuit dan bevestigd ziet, verdwijnt de goesting bij degenen die wel de stap durven zetten natuurlijk ook. “Homo, mietje, jeannette, … ” zijn scheldwoorden die ze voortdurend gebruiken en zelfs al is het niet persoonlijk bedoeld dan nog geeft men het signaal “jij hoort er niet echt bij, voor jou is hier eigenlijk geen plaats”. Zeker als de begeleiders niet optreden of als ook de trainer of de coach meedoen.

De Nederlandse sportjournalist Thijs Smeenk, zelf homo en als tiener dromend van een voetbalcarrière, zei het in een interview in de krant Trouw zo: “Het is een machowereld waar ik me niet veilig voelde. Dat zat in de grappen en opmerkingen, de sfeer op de tribune. Er was niemand homoseksueel, er waren geen voorbeelden. Ik had in mijn hoofd: dat kan niet in deze wereld. Als ik ermee naar buiten kom, heb ik een groot probleem.”

Spelers die hiertegen durven protesteren worden bovendien vaak als overgevoelig weggezet en als je als homosporter één imago niet wil hebben, dan is het dat wel.

Als men op die manier de indruk geeft dat homo’s geen goede sportmannen kunnen zijn wegens niet macho of niet mannelijk genoeg, wordt een coming-out natuurlijk nog moeilijker. Want stel dat je na je coming-out plots een wedstrijd verliest, zal je ‘homo-zijn’ daar dan niet als reden voor worden gezien? Het is een van de redenen waarom zoveel gay sporters pas na hun actieve carrière uit de kast durven komen. Ze willen op hun prestaties beoordeeld worden en vanaf het moment dat ze openlijk out en proud zijn, brengt men alles terug tot hun geaardheid.

Daarom ook dat zoveel LGBTI+-personen liefst in een regenboogclub sporten. Niet omdat ze voortdurend over hun holebi-, trans of intersekse zijn willen praten maar net omdat ze dat niet willen doen. Het is vaak de enige plaats waar het er echt niet toe doet omdat iedereen er zo is. 

(Top)sporters die hun geaardheid verborgen willen houden, krijgen echter vaak te maken met een ontzettende stress die dan ook weer hun sportieve prestaties kan beïnvloeden. Lees er de coming-out verhalen van heel wat sporters op na en je komt keer op keer verhalen tegen van stress en depressie. Graeme Obree vertelde dat hij was opgegroeid met het idee dat je maar beter dood kon zijn dan homo en dat dit er mee voor gezorgd had dat hij twee keer een zelfmoordpoging heeft ondernomen. Markus Thormeyer heeft het over het gevoel dat je nooit goed kan doen: als je het verborgen houdt, dan lieg je en dat houdt je tegen om een goede band op te bouwen met je team; als je open bent dan aanvaarden ze je misschien niet (en je kunt nooit meer terug in de kast).

Als je dit als federatie laat gebeuren, dan ontneem je jezelf veel mogelijke topsporters, mogelijke medailles en mensen die plezier beleven aan je sport. Vandaar dat de campagnes en bewustmakingsacties absoluut moeten verdergezet worden. Een mentaliteit veranderen doe je niet zomaar. Maar er zal meer nodig zijn. Naast de campagnes moet er reactie volgen. Walk the talk.

Ik besef dat het voor veel hetero’s moeilijk te beseffen is maar een klein scheldwoord als ‘homo’ kan enorm zwaar wegen als het elke keer weer, week na week, wedstrijd na wedstrijd… herhaald wordt. Als ze je elke keer weer aanvallen, niet om wat je kan maar om wie je bent dan is dat ondraaglijk.

Zowel tegen racisme als tegen homofobie moet dus consequenter opgetreden worden. Schelden zogenaamde ‘supporters’ spelers of andere sporters uit op een racistische of homofobe manier? Haal ze eruit en laat ze de wedstrijd missen. Doen ze het weer of zijn het er te veel? Straf dan de ploeg zodat de ‘supporters’ zien dat ze zichzelf schade toebrengen. Alleen op een drastische manier kan je ervoor zorgen dat sport en spel voor iedereen een plezier wordt. En dat de volgende coming-out van een voetballer, wielrenner of dartsspeler de krantenkoppen niet meer hoeft te halen omdat het iets vanzelfsprekend is geworden.

Intussen duim ik met veel plezier voor Justin Laevens. Zelf al is hij geen Belgisch Kampioen geworden, iemand die zo jong al zo in het leven staat zal het ver brengen. Daar ben ik zeker van.