‘Je bouwt geen lgbtqi+-paradijs door van elke moslim een zondebok te maken’, zegt Bruno De Lille Battaille, algemeen directeur bij een Brusselse scholengroep, lgbtqi+-activist en gewezen Brussels staatssecretaris voor Groen.
Fearless. Onder dat motto stappen de deelnemers aan de Antwerp Pride zaterdag door de straten. Dat betekent volgens de organisatoren niet dat we nergens schrik voor (mogen) hebben, maar wel dat we, ondanks onze vaak terechte angst, ons toch laten zien, het recht opeisen om als lesbienne, gay, bi, trans, interseks en queer mensen te mogen zijn wie we zijn. Liefde is liefde.
Dat lijkt me niet teveel gevraagd, toch?
Zeker nu uit ‘De Stem van Vlaanderen’, een grootschalige enquête van VTM en Het Laatste Nieuws, blijkt dat bijna 75 procent van de Vlaamse lgbtqi+-personen zich vandaag minder geaccepteerd voelt dan vijf jaar geleden. En dat 53 procent van hen zijn seksuele oriëntatie of genderidentiteit niet altijd openlijk durft te tonen. Het is ook nog maar twee weken geleden dat een islamistische dader een aanslag pleegde op de Pride in Berlijn.
Is het naïef als ik na zulke berichten hoop op brede steun en sympathie?
Begrijp me niet verkeerd, er was steun. In de media verschenen artikelen en reportages die achtergrond gaven aan een breed publiek. En er waren getuigenissen van mensen die opriepen om net nu zeker naar Antwerp Pride te gaan.
Maar er was ook veel tegengeluid. Meestal zo samen te vatten: ‘Ten eerste hebben al die lgbtqiABCenzovoort-mensen niet te klagen. Ze hebben hier in België alles wat ze willen – huwelijk, adoptie en ze mogen binnen in gelijk welke wc – dus waar zagen ze over? En ten tweede: als er al een probleem zou zijn, dan komt dat door de moslims. Maar dat durven al die regenboogmensen niet te zeggen, dan zijn ze niet fearless.’
Ik zag die verwijten onder meer voorbijkomen op Facebook als reactie op de verklaringen van Çavaria, de Vlaamse koepel van lgbtqi+-organisaties. Bij het Nederlandse Nieuwsuur kreeg je dan een reportage in dezelfde zin. En donderdag mocht Jan Segers, columnist bij HLN, voluit gaan: hij noemde ons ‘dramaqueens’ – want lgbtqi+-rechten staan hier volgens hem helemaal niet onder druk – en verweet de lgbtqi+-gemeenschap dat ze ‘de olifant in de kamer’ oftewel ‘de islam’ niet met de vinger durft te wijzen.
Natuurlijk is België Oeganda niet en hebben we veel rechten – al is er bijvoorbeeld voor intersekse personen nog steeds werk aan de winkel, en wordt hier geen heksenjacht op ons gevoerd. Maar uit onderzoek blijkt wel dat de maatschappelijke aanvaarding van lgbtqi+-personen bij jongeren al enkele jaren daalt en bevraging na bevraging geven lgbtqi+-personen aan dat ze (te) vaak geconfronteerd worden met onverdraagzaamheid vanwege hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit.
Gaat het altijd over fysiek geweld? Nee. Maar voortdurend homofobe ‘grapjes’ moeten horen van collega’s, telkens moeten inschatten of het veilig genoeg is om de hand van je lief te kunnen vastpakken of soms gewoon random uitgemaakt worden, weegt zwaar. Erg zwaar.
Een paar jaar geleden mocht ik het zelf nog eens meemaken. Ik was op een zaterdagochtend met Tram 3 op weg richting Zuidstation. De meeste zitjes waren bezet en ik stond in het gangpad. En toen kreeg ik de volle laag. Een (dronken?) man begon me in het Frans uit te schelden voor homo, pédé, hij dreigde achter me aan te komen als ik hem zou aankijken en waarschuwde de andere passagiers dat ik hun kinderen zou verkrachten. Gelukkig duwde een vriend van hem de man de tram uit bij de volgende halte. Het duurde misschien drie minuten, maar ik ben er dagen niet goed van geweest. Ook, vooral misschien, omdat niemand in de hele tram op enige manier wat steun gaf.
Ik heb nog altijd geen idee waarom hij mij moest hebben. Of hij eigenlijk wist dat ik inderdaad homo ben. Het doet er ook niet toe, want de man heeft op dat moment niet alleen mij geraakt, maar iedereen die op die tram zat. Iedereen, homo of hetero, kreeg de boodschap: ‘Ben je een lgbtqi+-persoon, dan ben je maar beter voorzichtig, want voor je het weet, komen ze achter je aan.’ Dat is precies wat de mensen die achteloos reageren met ‘Waar klagen jullie over?’ zich wellicht niet kunnen voorstellen: hoe het voelt als zoiets ook hén zou overkomen. Maar ik ken heel wat lgbtqi+-personen die dit soort verhalen kunnen vertellen. En zolang dat het geval is, hebben we alle recht om op straat te komen.
En dan de olifant in de kamer. De islam. Dat Çavaria na de islamistische aanslag op de Pride in Berlijn wel naar Voorpost en de manosfeer verwees maar verder alleen vaag over ‘religieus extremisme’ sprak, zou bewijzen dat de lgbtqi+-gemeenschap rond die olifant heen loopt.
Ik kan voor een stuk meegaan in die kritiek. Als een aanslag vanuit een islamistische overtuiging wordt gepleegd, dan moeten we dat ook zo zeggen. Wie jihadistische propaganda verspreidt en homoseksualiteit daarbij voorstelt als een kwaad dat met geweld moet worden bestreden, moet aangepakt worden. Islamistisch geweld tegen lgbtqi+-personen vormt een reële en mogelijk dodelijke bedreiging en dat mogen we niet minimaliseren.
Alleen hebben de meeste mensen die wijzen op de olifant in de kamer het niet enkel over islamisme. Ze viseren alle moslims. Maar islamisten en moslims zijn geen synoniemen. Een islamistische terrorist vertegenwoordigt niet automatisch elke moslim. Een moslim die homoseksualiteit moreel afwijst, kan zich nog altijd aan de wet houden. En net zoals bij christenen is niet iedereen die zich moslim noemt even strikt in de leer. Een probleem benoemen is dan ook iets anders dan een hele bevolkingsgroep tot hét probleem verklaren.
Duitsland telt volgens de cijfers die De Morgen naar aanleiding van de aanslag publiceerde ongeveer 6,5 tot 7 miljoen moslims. De Duitse inlichtingendienst spreekt volgens de krant over ongeveer 9000 ‘op geweld georiënteerde’ islamisten.
Negenduizend op geweld georiënteerde islamisten zijn negenduizend redenen om bijzonder waakzaam te zijn. Maar tegenover 6,5 tot 7 miljoen moslims tonen die cijfers ook hoe absurd het is om elke moslim mee verantwoordelijk te maken.
De islamisten zelf zouden niet liever hebben. Zij leven van polarisering en zo duw je een hele groep moslims recht in hun armen. Maar iedereen die staat voor een open maatschappij, schiet er zichzelf mee in de voet.
Want ja, ook buiten de extremistische milieus komt homo- en transfobie bij moslims voor. Zo is de negativiteit tegenover lgbtqi+-personen bij moslimjongeren in het Nederlandstalig secundair onderwijs een stuk hoger dan bij christelijke of niet-gelovige jongeren. Ook dat moeten we durven benoemen. Maar dat betekent nog niet dat zij daarom overgaan tot geweld als ze holebi’s, trans of intersekse personen ontmoeten. Binnen de groep moslims zijn er ook heel grote verschillen: de houding van de meisjes (nochtans niet minder gelovig) is structureel anders dan die van de jongens en er zijn ook heel wat moslims die geen probleem hebben met of zelfs positief staan tegenover lgbtqi+-personen.
In deze gepolariseerde discussie worden de lgbtqi+-moslims bovendien bijna altijd vergeten. Zij passen niet in het eenvoudige verhaal waarin ‘de moslims’ tegenover ‘de homo’s’ staan. Ze worden binnen hun gemeenschap vaak met homo- of transfobie geconfronteerd en tegelijk met islamofobie in de buitenwereld of binnen de lgbtqi+-gemeenschap. Wij gaan hen toch ook niet in de steek laten?
Als we een positieve beweging op gang willen brengen, moeten we bepaalde opvattingen proberen te doen evolueren. We mogen gewone moslims daarbij niet uitsluiten of in een apart hokje duwen, maar moeten net met hen in debat gaan. De moraalfilosoof Patrick Loobuyck zegt in zijn boek In de ban van Wij en Zij dat ‘mensen makkelijker hun standpunten nuanceren of uit hun tunnelvisie raken als ze, door met diverse mensen en meningen in contact te komen, worden blootgesteld aan verschillende ideeën’. Hen alleen maar met de vinger wijzen, getuigt dus niet van heldenmoed zoals Jan Segers in zijn opiniestuk zegt, maar is integendeel de minst efficiënte manier om tot verandering te komen.
Uit Nederlandse daderonderzoeken blijkt bovendien dat de daders hun religie dikwijls achteraf gebruiken om hun gedrag goed te praten, en dat die religie vaak niet de aanleiding is. Meestal wilden de daders vooral hun mannelijkheid, stoerheid en groepsloyaliteit bewijzen. De manosfeer wordt in de onderzoeken niet letterlijk genoemd, maar lijkt hier wel degelijk een grote rol te spelen.
Stel trouwens dat morgen elk islamistisch netwerk verdwijnt. Wordt dan geen enkel queer kind meer gepest? Houdt extreemrechts dan op met lgbtqi+-personen en hun rechten te bedreigen? Verdwijnt het machismo dan uit de sportclubs, de cafés en de sociale media?
Wie alleen naast ons komt staan wanneer de dader moslim is, maar anders onze bekommernissen negeert of kleineert, is geen bondgenoot. Die gebruikt lgbtqi+-personen als munitie in een politiek gevecht.
Wie denkt van onze samenleving een lgbtqi+-paradijs te maken door elke moslim met de vinger te wijzen, onderschat de hardnekkigheid van homo- en transfobie. We krijgen geen veilige samenleving als we één groep aanwijzen waarop we al onze angst en woede afwentelen. Wel als we elk geweld ernstig nemen, elke ideologie kritisch durven te onderzoeken en elke mens dezelfde vrijheid en bescherming garanderen.
Fearless. Zonder taboes. Maar ook zonder zondebokken.
Dit opiniestuk verscheen op 8 augustus 2026 op Knack.be. Je leest het hier: ‘Wie alleen naast ons komt staan wanneer de dader moslim is, is voor lgbtqi+ geen bondgenoot’