‘We moeten ophouden met te doen alsof elk anderstalig kind in het Nederlandstalig onderwijs een last is. We zouden blij moeten zijn met elk Brussels kind dat Nederlands wil leren’, schrijft schooldirecteur in Brussel Bruno De Lille Battaille.
Ouders die geen school vinden voor hun kind, mogen kwaad zijn. Iedereen leeft mee met de mama’s en de papa’s die na weken spannend afwachten horen dat er toch geen plaats is op de school van hun keuze. Of op de tweede of de derde of de vierde school die ze hadden aangeduid. Wie zijn kind op een wachtlijst ziet belanden, hoeft dat niet koel en rationeel te ondergaan. En het is te begrijpen dat men dan alleen naar het eigen grote en zeer acute probleem kijkt.
Maar van een minister mogen we iets anders verwachten. Dat we er als maatschappij niet in slagen om voor genoeg goede Nederlandstalige scholen te zorgen voor alle kinderen die daarom vragen, is beschamend. Dat we daarmee als Nederlandstaligen aan de poten van onze eigen Brusselse stoel zagen, is dom. En dat politici de terechte frustratie van deze ouders gebruiken om Brusselse kinderen op te delen in eersterangs en tweederangs en ze tegen elkaar op te zetten, is beneden alle peil.
Ik besef dat ik scherp klink maar ik heb de voorbije jaren helaas al verschillende ouders ontmoet die me smeekten om toch maar ergens een stoel voor hun kind te vinden. En als je hen daar geen antwoord kan op geven, dan blijf je even verslagen achter als zijzelf. En dan besef je heel goed dat dit geen papieren probleem is maar iets waar we echt een oplossing voor moeten zoeken.
Een echte oplossing bovendien voor elke ouder en elk kind die zich in deze situatie bevinden. Want tegen het ene kind zeggen “jij bent sowieso welkom” omdat de ouders toevallig Nederlandstalig zijn en tegen het andere “en jij alleen als er toevallig nog een plaatsje over is” omdat diens ouders anderstalig zijn (terwijl het kind zelf soms al 9 jaar in het Nederlandstalig basisonderwijs naar school gegaan is), vind ik bijzonder problematisch. Begrijp me niet verkeerd: natuurlijk moeten die Nederlandstalige kinderen als ze dat willen in een Nederlandstalige school terecht kunnen. Maar het is in mijn ogen ook een heel groot probleem als anderstalige kinderen die voor ons onderwijs kiezen daar niet binnen mogen. Als je dat vaststelt, dan moeten er scholen bij komen. De truc is dan niet om van die laatste kinderen tweederangs leerlingen te maken.
De redeneerfout is dat men er in het Vlaams Parlement blijkbaar nog altijd van uitgaat dat de Brusselaars zich in twee netjes afgelijnde groepen laten opdelen: er zijn de Nederlandstalige Brusselaars, de Vlamingen quoi, en de Franstaligen. Dan kan je inderdaad denken ‘ieder zorgt voor zijn groepje’.
Alleen heeft dit keurige, overzichtelijke en vooral makkelijke verhaaltje niets meer te maken met de Brusselse werkelijkheid. Uit de taalbarometer van 2024 blijkt bijvoorbeeld dat een derde van de Brusselaars opgroeit in een gezin waar noch Nederlands noch Frans wordt gesproken. Oei, wat moeten we daarmee? Als de Vlaamse en de Franse gemeenschap hun scholen – door de capaciteitsdruk zijn er aan beide kanten scholen tekort – zouden voorbehouden voor de kinderen uit de eigen taalgroep, wat doen we dan met die bijna 30% anderstaligen? Wordt onze stad, onze maatschappij er beter van als we die mensen aan hun lot overlaten? En hoe kan je zoiets in een rijk land als het onze zelfs maar overwegen?
Naast het ethische probleem dat we daarmee zouden moeten hebben, mag het ook wettelijk niet. Het Grondwettelijk Hof heeft een paar jaar geleden namelijk geoordeeld dat een voorrang tot 65% van de plaatsen voor leerlingen met minstens één ouder die voldoende Nederlands kent, legitiem kan zijn om het Nederlandstalige karakter van het onderwijs te bewaren en de taalontwikkeling van de betrokken leerlingen te bevorderen. Maar ook dat het percentage niet zo hoog mag zijn dat het Nederlandstalig onderwijs geen billijk deel van de anderstalige leerlingen meer zou opvangen. Het moet dus een voorrangsregeling blijven, het mag geen uitsluitingsregel worden.
Bovendien moeten we ophouden met te doen alsof elk anderstalig kind in het Nederlandstalig onderwijs een last is. We zouden blij moeten zijn met elk Brussels kind dat Nederlands wil leren. Echt blij.
Want wat willen we eigenlijk? Klagen dat je in Brussel niet in het Nederlands geholpen wordt, maar tegelijk kinderen wegduwen die Nederlands willen leren? Op 11 juli aan elke Brusselaar Vlaamse vlagjes uitdelen maar intussen het belangrijkste instrument dat we hebben om het Nederlands te verspreiden en aan belang te doen winnen, selectiever en minder efficiënt maken? Zeggen dat Brussel onze hoofdstad is, maar de Brusselaars die aansluiting zoeken bij de Vlaamse gemeenschap bekijken als lastpakken?
Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel is een van de sterkste hefbomen die Vlaanderen heeft om het Nederlands in Brussel levend en aanwezig te houden. Niet omdat al die leerlingen later ‘Vlamingen’ zullen worden want dat is niet zo. Maar wel omdat ze Nederlands kunnen spreken met hun buren, hun vrienden, hun collega’s, hun klanten, hun patiënten, … Omdat ze ervoor zorgen dat elke Vlaming en iedereen die Nederlands spreekt, zich in Brussel wat meer thuis kan voelen.
Er was een tijd dat Vlaanderen dat een eerbaar doel vond, dat men voluit die kaart trok. Dat was de tijd dat de Brusselnorm het leven zag. Die norm hield in dat de Vlaamse Gemeenschap voor haar beleid 30% van de Brusselse bevolking als haar doelgroep beschouwde. Beschouwt moet ik eigenlijk zeggen want in de ‘Beleidsnota Brussel 2024-2029’ van Vlaams minister van Brussel en Media Cieltje Van Achter staat nog steeds: “De Brusselnorm is geen loze belofte: het is een engagement waar ook deze regering zich volmondig achter schaart.”
Doet Vlaanderen dan misschien al meer dan wat het heeft beloofd? Trekt onze minister van onderwijs daarom haar staart in? Nee, dat is niet zo. Volgens de cijfers van het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse (BISA) over het leerplichtonderwijs, ging in het schooljaar 2023-2024 bij de kleuters 27,2%, in het lager onderwijs 21,8% en in het secundair onderwijs 18,9% van de leerlingen naar Nederlandstalige scholen (over alles heen 21,7%). Meer kinderen dus dan er Nederlandstalige gezinnen in ons Hoofdstedelijk Gewest zijn, maar lang niet de 30% van de Brusselnorm.
Daarbij komt trouwens nog iets wat in het debat zelden wordt gezegd. Kinderen in Nederlandstalige scholen tellen mee in de financiering van de Vlaamse Gemeenschap via de leerlingensleutel voor de btw-dotatie. Als meer Brusselse kinderen van 6 tot 17 jaar naar Nederlandstalige scholen gaan, stijgt het aandeel van Vlaanderen in die sleutel. Dat betekent natuurlijk niet dat die kinderen zomaar ‘grote winst’ opleveren. Ze moeten ook goed onderwijs krijgen en dat kost ook wat. Maar het ondergraaft wel het beeld dat Vlaanderen zomaar onderwijs betaalt voor die Brusselaars zonder dat daar iets tegenover staat.
En dan is er natuurlijk ook de steeds terugkerende discussie over de kwaliteit van onze Brusselse scholen. Dat die dus naar beneden gehaald wordt door het hoge aantal anderstaligen. Je hoort dat bij politici. Maar ook bij heel wat van onze leerkrachten. Dus dan zal dat wel waar zijn zeker?
Het klopt inderdaad dat het gemakkelijker is om les te geven aan een klas leerlingen die allemaal goed Nederlands spreken, dan aan een klas waar verschillende leerlingen taalarm zijn. Het klopt ook dat het moeilijker is om die taalarme leerlingen over de kwaliteitslat te krijgen.
De lat naar beneden halen, gaan we niet doen. Daar verschuif je het probleem alleen maar mee. En door die taalarme leerlingen buiten onze scholen te houden, maken we het leven van sommige leerkrachten misschien wat eenvoudiger, maar we zadelen die leerlingen én de maatschappij nadien met een levenslang probleem op.
Gaan we nu echt beweren dat het Nederlandstalig onderwijs zo zwak is dat het alleen kan functioneren als we moeilijke opdrachten buitenhouden? Dat het goed kennen van Nederlands geen pedagogische uitdaging mag zijn maar een selectiecriterium moet zijn? Ik heb meer geloof en meer vertrouwen in onze scholen en onze leerkrachten dan dat. We doen dat toch ook niet voor wiskunde? We zeggen toch niet: kinderen die van mama en papa niet geleerd hebben tot honderd te tellen, horen niet in onze scholen? We doen dat toch ook niet voor STEM? We sluiten toch geen leerlingen uit omdat ze de wetten van Newton thuis niet hebben meegekregen? Je komt net naar school om te leren. En ja, de noden van onze leerlingen zijn anders dan die van 50 of 30 jaar geleden. Maar dat is overal zo. Dus we passen ons aan, we zoeken aangepaste pedagogische methodes, we maken school. En liefst met zijn allen.
Want wie pleit voor 100 procent voorrang voor Nederlandstaligen, weet of zou moeten weten wat daarvan het gevolg is. De populairste scholen, met het sterkste imago en de grootste aantrekkingskracht, zullen zich vullen met kinderen die in de voorrangscategorie vallen. En laten dat nu net de kinderen zijn die vaak uit gemiddeld de (economisch) sterkste gezinnen komen. De scholen met een minder uitgesproken reputatie krijgen dan een concentratie van een veel kwetsbaarder publiek. En een taaluitdaging die nog veel groter wordt. Zo maak je geen sterk Nederlandstalig onderwijs. Zo maak je weer zogenaamd ‘witte en zwarte’ scholen. En dan hoor ik dezelfde mensen die vandaag pleiten voor een 100% voorrang, morgen al klagen over waarom we toch die bijna volledig anderstalige scholen nog moeten ondersteunen. Alsof dat niet het bijna met zekerheid te voorspellen resultaat is van de keuzes die zij vandaag willen maken. Van beleid dat kinderen sorteert in plaats van voor voldoende en goede scholen te zorgen.
Als de minister echt zo bezorgd is over het Brusselse onderwijs, dan moet ze niet aan de inschrijvingsregels prutsen. De echte discussie is hoe we genoeg sterke Nederlandstalige scholen bouwen. Hoe we scholen met een moeilijker imago aantrekkelijker maken. Hoe we leraren ondersteunen in meertalige klassen. Hoe we Nederlands beter aanleren aan kinderen die thuis een andere taal spreken. Hoe we vermijden dat kwetsbare scholen steeds kwetsbaarder worden. We mogen van Brussel geen onderwijsmarkt maken waarin de sterkste ouders winnen en de zwakste kinderen doorgeschoven worden.
En dat zogenaamde ‘overschot’ in 2030 waar men nu al bang voor lijkt te zijn, is geen probleem. Het is nodig. Vrijheid van onderwijs vraagt wat ruimte. Keuzevrijheid bestaat niet als er exact evenveel stoelen zijn als kinderen. Dan moet je hopen dat je geluk hebt bij de loting, dan mag je aanschuiven, neem je wat overblijft. Een zekere overcapaciteit is dus geen verspilling, het zou een streefdoel moeten zijn.
Ouders mogen roepen als hun kind geen plaats vindt. Dat is menselijk. Een minister moet meer doen. Brussel heeft geen nood aan nog meer polarisatie aan de schoolpoort. Brussel heeft nood aan plaatsen. Aan kwaliteit. Aan leraren. Aan taalbeleid. Aan ‘grijze’ scholen. Aan vertrouwen. En aan politici die begrijpen dat we er allemaal beter van worden als meer Brusselse kinderen Nederlands leren.
Dit opiniestuk verscheen op 7 juli 2026 op Knack.be. Je leest het hier: ‘Deel onze Brusselse kinderen niet op in eersterangs- en tweederangsleerlingen’